Welkom bij onze website van Around The World. Deze website draait helemaal om een bijzondere wereldreis. Een jaar lang gaan moeder en dochter samen op pad om een boek te maken. Per land maken Miriam en Denise een column (die hieronder te lezen zijn), moeder maakt de foto’s en dochter de teksten. Voor 365 dagen is het reisduo op deze site te volgen. Kijk gerust rond en laat een reactie achter of stuur een e-mail naar info@around-theworld.com.
Welcome to our website Around The World. This website is about one special world trip. For one year mother and daughter will travel the world to make a book. Each country Miriam and Denise will make a column which you can read on this page. Mother makes the pictures and daughter the words. For 365 days you can follow these two on their journey. Feel free to look around and post a comment. Or send us an e-mail at info@around-theworld.com.
door Denise Krol

De leukste dingen die je meemaakt zijn onverwacht, niet gepland en niet bedacht. Dat hebben Miriam en ik wel geleerd tijdens deze reis. Zo bedenk je dat het misschien leuk is om een voorstelling met Johnny Cash nummers te zien in het Sydney Opera House. Het gaat het niet door omdat de voorstelling helemaal uitverkocht is. De volgende dag terug voor andere kaartjes en ook de derde poging om de kaarten toch te krijgen mislukt. Helaas gaat het niet door. Dus slenteren Miriam en ik redelijk teleurgesteld de trappen van het Opera House af om naar ons hostel terug te gaan.
Verderop zit een groepje mensen met voornamelijk tienermeisjes op de traptreden met helemaal in het midden: Amanda Palmer. Niet een extreem bekende zangeres, maar ik ken haar van mijn studiejaar in Long Beach, Calfornia. Ze staat daar gewapend met een ukelele. Aangezien we niets beters te doen hebben besluiten we ons bij de groep aan te sluiten. En dan zit je dan samen met je moeder op de bekende witte treden in plaats van een Johnny Cash coverband naar een vrouw te luisteren met een korsetje en wat netkousjes aan. Amanda Palmer die al een paar jaar vergeten is om haar oksels te scheren, een dikke laag zwarte afbrokkelende make-up op heeft gesmeerd en d’r haar zeer indringend rood heeft geverfd. Niet echt iets voor je ouders zou je denken.
Na wat nummers en wat half verstaanbare dialogen voel ik opeens een dikke druppel op mijn neus vallen. Amanda besluit dat ze nog wel even door kan spelen. Dan begint het opeens te stortregenen en kunnen we er niet meer omheen, we moeten dit concert beëindigen of ergens schuilen. We rennen met zo’n 300 mensen naar de onderkant van de trappen van het Opera House. Daar op het asfalt zoekt iedereen een plekje op de grond. Amanda krijgt het ere podium bestaande uit een doodgewoon bankje. Podium klaar, publiek klaar, Amanda kan verder.
Het groepje ongeregeld met fans en voorbijgangers die blijven plakken wordt steeds groter. Die Amanda is wel een entertainer. Allerlei soorten mensen staan hier bij elkaar, mensen met verschillende muzieksmaken. Toch luisteren ze allemaal naar dit kleine vrouwtje. Mijn moeder is helemaal onder de indruk. Dat vind ik toch knap. Want als ik Miriam normaal een nummer van Amanda’s band had laten horen had ze het waarschijnlijk herrie gevonden.
Vaak speelt Amanda de verkeerde akkoorden en begint opnieuw. Ze is echt aan het uitproberen, maar niemand lijkt dat erg te vinden. Het begint te onweren en Amanda speelt mee met het geluid en licht van de donder en de bliksem. Vindt het publiek de tekst niet goed, prima dan schrijft ze ter plekke een nieuwe nummer. Zo spontaan heb ik nog nooit een concert gehad.
Als Amanda door haar nummers heen is praat ze nog wat na met de fans. Miriam en ik besluiten er vandoor te gaan. De stortbui is er niet minder op geworden. We liften mee met een shuttle van het Opera House en eindigen uiteindelijk bij de taxistandplaats, waar tot onze verbazing geen enkele taxi te bekennen is. Door de regenbui (de grootste in Sydney in de afgelopen twintig jaar) kan blijkbaar geen een auto meer vooruit komen. De enige plek waar nog licht brand is de MacDonalds. We vluchten naar binnen en zijn na 9 seconden buiten helemaal doorweekt. Met een milkshake genieten we na van ons verrassingsconcert. Terwijl buiten het water bijna de MacDonalds instroomt met plassen van 30 cm diep. Ons eigen MacIsland. Het kan ons helemaal niets schelen, want wij leven in het moment. Wij leven spontaan. Wij leven in Australië.
door Denise Krol

Als je tussen de stranden, hotels en hordes toeristen van Bali nog het echte Indonesië wilt bekijken moet je naar Zuid-Sulawesi, naar Torajaland, voor een begrafenis. Dat is op zijn minst gezegd een hele ervaring. De Toraja zien hun begrafenis als het belangrijkste onderdeel van het leven. Ze leven eigenlijk voor hun dood. Want na de dood komt volgens de Torajanesen het hiernamaals en daar is het eeuwige bestaan.
Er worden complete dorpen gebouwd voor dit speciale evenement dat wel twee maanden kan duren. De familie geeft hun complete kapitaal uit, om daarna blut verder te gaan met hun eigen leven en te sparen voor de volgende begrafenis. Wanneer ze niet genoeg geld hebben om het hele gebeuren te organiseren zetten ze het gebalsemde lichaam in de kleine woonkamer. Totdat ze genoeg bij elkaar gespaard hebben doen ze alsof de overledene ziek is. Voor de gemeenschap is bijvoorbeeld opa niet dood, maar heeft hij gewoon last van een griepje.
Miriam en ik krijgen de kans om een Toraja begrafenis mee te maken. Toch raar dat je stiekem zit te hopen dat er iemand pas is overleden, zodat jij naar hun begrafenis kan. We worden welkom geheten door het overheersende geluid van gillende varkens. Links en rechts lopen mannen met bamboestokken op hun schouders met daaraan vastgebonden speenvarkens. Ik kijk één dier in de ogen aan en zie zijn doodsangsten. Hij gilt nog eventjes als een soort bevestiging.
We baggeren ons verder door de dikke laag modder. Met mijn slippers probeer ik vol uiterste concentratie niet uit te glijden. Onderuit gaan is wel het laatste wat je wilt als een stuk of driehonderd ogen op je gericht zijn en een modderbad heeft mij nooit zo aangesproken. Nadat we de glibberige tocht gered hebben planten we ons neer in een van de huisjes waar de gasten worden ontvangen. Hier hebben we een prima uitzicht op het hele spektakel.
De tien speciaal gebouwde huizen staan in een grote cirkel om het modderbad in het midden. In een slinger baggeren de bezoekers in traditionele kostuums met borden eten door de smurrie naar het pasgebouwde familiehuis. In het midden liggen de vastgebonden varkens waar constant groepjes mannen verse beesten neerplanten en anderen weer een paar weg halen. Een groepje loopt met een krijsend varken richting ons huisje. Ik wil mijn vingers in mijn oren stoppen om het gegil te laten verdwijnen, maar de noodkreten zijn daar zelfs te hard voor. Het varken verdwijnt onder ons huis op palen en dan hoor ik nog een enorme krijs die dwars door mij heen gaat. Daarna is het opeens stil.
Ik ben geen vegetariër, maar als Nederlander zie je dit soort taferelen niet als je een varkenshaasje in de Albert Heijn koopt. Wanneer ze na deze slachting met een bord eten komen sla ik het vlees over. Mijn maag draait zich bij de gedachte al drie keer om. Tijdens de begrafenis gaan er een stuk of 40 buffels en 200 varkens doorheen. Eigenlijk is het de hele tijd een groot bloedbad. Dat is toch even wat anders als een stukje kleffe cake en een kopje slappe koffie bij veel Nederlandse begrafenissen.
De lucht van opgedroogde modder, plassen varkensbloed en gebraad vlees maakt me duizelig. Dat het rond de 35 graden Celsius is helpt ook niet mee. Hoe interessant de begrafenis ook is, mijn maag maakt een sprongetje als we weer weg kunnen. Als we ons een weg terug hebben gebaand heb ik eindelijk het gevoel dat ik weer normaal kan ademhalen. Ik hoor het vreselijke gegil langzaam wegvagen. Na deze ervaring weet ik zeker dat een carrière voor mij als slager niet is weggelegd. En het gaat een tijdje duren voordat ik weer een stuk varkensvlees kan eten zonder aan die vreselijke geur of dat geluid te denken.
Voor miljoenen mensen is dit de normaalste zaak van de wereld. Een varkenspoot kant-en-klaar in een plastic bakje met vleeskeurmerk is voor mij vanzelfsprekend. Daar ben ik mee geboren. Als ik opeens een wild varken zou moeten slachten zou ik niet eens weten waar ik moet beginnen. Dat varken eet mij nog eerder op dan ik hem.
Bij de Toraja staat hun hele leven in het teken van de dood. Als het op de begrafenis aankomt of überhaupt op het eten van een maaltijd. Ik leef niet voor de dood en ik dood niet om te blijven leven. Daar hoef ik mij niet druk over te maken en dat is omdat ik in Nederland geboren ben. Hierdoor kijk ik anders tegen de dood aan dan de Toraja. Ik zou de cultuur van de Toraja daarom bizar noemen. Dus ik vraag me af hoe zij de Nederlandse cultuur zouden benoemen?
door Denise Krol

Elke dag plegen gemiddeld 90 mensen zelfmoord in Japan. In 2009 zijn dat exact 32.845 Japanners geweest. Dat is niet raar als je ziet hoe hoog de lat ligt. Waar bij de Nederlandse standaard mensen van negen tot vijf laten werken, ploeteren de Japanners, en zeker de mensen in Tokio, zes dagen in de week van negen tot elf in de avond.
Keurig in pak brengen ze hun stressvolle bestaan door. Stress hoort bij het stadsleven in Japan, want zonder keihard te werken en bakken met geld te verdienen heb je zeker in Tokio geen dak boven je hoofd. Als wij door de straten van Tokio lopen zien we achter elkaar zwervers in hun kartonnen dozen slapen. Alleen bij deze doos hebben ze wel een gloednieuwe fiets staan, met daarnaast een aktetas. Deze zwervers zijn overdag gerespecteerde zakenmannen en s’ avonds verbergen zij hun gezicht voor de buitenwereld in hun geïmproviseerde huis.
Volgens mij verdoezelt bijna iedereen hun ware gezicht in Japan. Gezichtsverlies is hier namelijk het ergste wat je kan overkomen. Daarom moet je de beste zijn in alles en is falen geen optie. Geen wonder dat elke dag na deze enorme druk, deze Japanners ook helemaal moeten losgaan. Tokio is gevuld met gokhallen en gamehallen waar de bezoekers hun stress proberen weg te spelen. Overal waar je kijkt knipperen de neonlichten en rinkelen de muntjes. Volwassen mannen staan badend in het zweet te springen op Dance Dance Revolution of laten hun vingers razendsnel over de spelknoppen vliegen om maar het juiste knopje op het juiste moment te raken. Ik denk dat veel van deze mensen nog beter zijn in deze spellen dan hun eigen baan.
Om deze kant van de Japanse cultuur zelf te beleven gaan Miriam en ik om 1 uur s’ nachts discobowlen. We weten nog net een baan te bemachtigen, want de rest van de ruimte is al afgehuurd door de werknemers van een Japanse bank. Als we binnenkomen zijn ze al een beetje luidruchtig en volgens mij een beetje aangeschoten. Naast ons is een groepje van 5 mannen al druk ballen over de baan te gooien. Allemaal zijn ze in pak en hun jasjes hangen over de plastic stoeltjes. Tussen de mannen ontdek ik nog een vrouw in haar mantelpakje en een biertje in d’r hand. Zij moet de beginneling voorstellen die les krijgt van de ervaren mannen.
Nu zie ik de bowlingbaan niet als een plek om compleet uit je dak te gaan, maar deze Japanners denken daar anders over. Ze rollen over de vloer van geluk als er een strike gegooid wordt. En als de bal de goot in rolt vallen ze op hun knieën en gooien dramatisch hun handen in de lucht. Ze schaterlachen als er een grapje wordt gemaakt en omhelzen elkaars witte plakkerige zweetoverhemden. Vooral als de enige dame van het stel de bal een keertje goed gooit schreeuwt de groep het uit. Miriam en ik gillen natuurlijk gezellig mee. Ach, je moet jezelf toch een beetje aanpassen aan de cultuur. Alleen als er een land is waar het moeilijk is om je als westerling aan te passen aan de cultuur is het wel Japan.
Als wij de bowlingbaan weer verlaten heb ik wel het gevoel dat ik aan deze kant van de cultuur heb kunnen gluren, alleen er deel van uitmaken is weer een heel ander verhaal waar wij niet aan mogen meedoen. Japan heeft de meest interessante cultuur die ik tot nu toe in mijn reizen heb gezien, maar omdat het land zo complex is het waarschijnlijk ook degene die het verste van me af staat. De belachelijk hoge druk en de bizarre uitlaatkleppen zijn in ieder geval uniek en maakt de Japanse cultuur voor mij geweldig mysterieus.
door Denise Krol
Om mij heen liggen achtergelaten etensresten, uitgespuugde rochels en klodders vogelpoep. Ik ben omsingeld door tientallen ratten in alle gaten en hoeken. Honderden vogels leven op de dikke zwarte elektriciteitsdraden. De film The Birds van Hitchcock wordt net iets te realistisch voor mij. Ik weet zeker dat op deze plek het woord hygiëne niet in het woordenboek voorkomt. Met deze plek bedoel ik het treinstation van Agra in India. Niet de beste plaats om meer dan tien uur van je leven door te brengen. Maar voor Miriam en mij is het de realiteit.
Het wachtproces begint al als we een paar uur te vroeg op het station door onze chauffeur worden gedropt. Nadat we vandaag de zeer bijzondere Taj Mahal hebben gezien, die gebouwd is uit liefde voor een vrouw, zijn we nu verplicht om onze tijd in een betonnen hok speciaal voor vrouwen door te brengen. Met al het ongedierte dat buiten krioelt ben ik blij dat we het hok krijgen. Totdat ik opeens een gil hoor en de werkneemster van de wachtkamer met een bezemsteel klaar zie staan. De rattenjacht is begonnen. Het diertje scheurt van links naar rechts het hok door en ik bekijk het spektakel met mijn voeten veilig op mijn stoel. Het houdt je in ieder geval een beetje bezig.
Later ontmoeten we een Amerikaanse moeder en dochter die ook in India samen op reis zijn. We raken aan de praat, maar na verloop van tijd moeten zij naar hun trein toe. De verveling slaat weer toe. Dan maar een poging om het vieze gat, dat een wc moet voorstellen, in de grond te gebruiken. Na een tijdje in zo’n land wen je wel aan de drijvende drollen en plassen urine waar je in moet staan. Behalve de geur, want daar zal ik nooit aan kunnen wennen. Als de tijd op de klok eindelijk in de buurt van onze vertrektijd komt, vluchten we snel naar buiten.
Op ons perron zien we de Amerikaanse moeder en haar dochter nog staan. Hun trein heeft drie uur vertraging. Dat voorspelt niet veel goeds voor onze trein naar Varanasi. Na een stoel te bemachtigd te hebben op het enige bankje van het perron begint Miriam aan ons avondeten. Een rolletje oude kokoskoekjes. Als de wikkel er net af is en het bovenste koekje tevoorschijn komt valt er een enorme klodder vogelpoep midden op ons laatste beetje eten. Het is duidelijk dat dit een hele lange avond wordt. Als het bijna middernacht is zijn de Amerikaanse moeder en dochter al lang weg. De andere toeristen die ons gezelschap hebben gehouden liggen lekker in hun slaaptreinen. Op het moment dat de laatste toeristen vertrekken met hun trein besluiten we het erop te wagen en stappen in. De andere optie: Miriam en ik, twee vrouwelijke toeristen, midden in de nacht op het perron.
Omsingeld door ongedierte en de blikken van ongeveer dertig Indiërs, die elke beweging van mijn hand volgen als ik iets probeer te pakken uit mijn tas. Ik ben eerlijk gezegd nog niet eerder zo bang geweest voor de veiligheid van mijzelf en mijn moeder. Nu helpt het ook niet dat om de vijf minuten het complete station een black-out heeft en je geen hand voor je ogen kunt zien. Ik heb mijn tas zo stevig vastgehad dat ik kramp in mijn handen kreeg. Wij willen echt weg. Maar we staan nog geen minuut in de trein of de conducteur controleert onze kaartjes. Hij concludeert gelijk dat we uit de trein moeten. Een paar handen duwen ons richting uitgang. De trein is al aan het rijden, maar dat interesseert de man niet. Ik kan nog maar net rechtop blijven staan als ik uit de trein spring en dan kijkt opeens iedereen op het perron naar jou.
Ik probeer zelfverzekerd te lijken, maar voel me zo onzeker dat het niet meer leuk is. We zoeken ons bankje weer op en tot onze verbazing zien op het hele station nog één andere toerist en die zit naast ons. Wanhopig beginnen we een gesprek met de Japanse man en ik voel de paniek uit mijn lichaam verdwijnen. Na een half uur druppelen nog enkele toeristen binnen.
Om 3 uur ’s nachts beseffen we opeens dat de trein die het perron binnenrijdt, eindelijk die van ons is, we kunnen het bijna niet meer geloven. Na mezelf meer dan tien uur ongelooflijk vies, onveilig, hongerig en doodsmoe gevoeld te hebben mag er nu een einde aan komen.
Ik mag dit rattennest weer verlaten. Als ik ooit weer in Nederland op de bank zit televisie te kijken en die geweldige reclame van Incredible India langskomt, zet ik mijn tv gelijk uit en denk ik aan mijn mooie, schone en rustige India bij de Taj Mahal.
Klik hier om het artikel van Denise in de Gorcumse Courant te lezen
door Denise Krol

Tibet bestaat niet meer. China’s dream heeft het helemaal overgenomen. Het begint al op het moment dat wij bij de grens aankomen, waar een Tibetaanse vrouw met een stok wordt weggeslagen. Ze mag Nepal niet in. Ik had van te voren al een waarschuwing gekregen. Het beeld dat je van Tibet gaat krijgen is gemaakt door de Chinezen. Ik hoopte dat het niet waar zou zijn.
Dat was valse hoop. De toeristische weg, die prachtig geasfalteerd is, brengt ons door een Chinees Tibet met als eindbestemming Lahsa. We worden welkom geheten door een stoet met meer dan vijftig legerautos die ons tegemoet rijden. We slapen in een voormalig Tibetaans klooster dat nu ons hotel is. We eten in een Tibetaans restaurant, maar met een Chinese vrouw als eigenaar. We zien werkende Chinezen en bedelende Tibetanen. We bezoeken de Tibetaanse kloosters met Chinese monniken en buiten op het beroemde plein in Lahsa staan de soldaten op de daken klaar met machinegeweren. Genoeg om een mens volledig depressief te maken. Ik ben blij als ik uiteindelijk weer weg kan uit Lasha. In de auto staar ik uit het raampje en zie een levensgrote advertentie waarop staat The developing dream. Chinas dream. Het omvat voor mij alles wat ik tot nu toe heb gezien in dit land.
We komen aan bij het vliegveld waar het ijskoud is. Blijkt dat de douane nog niet open is en we drie kwartier staand in de rij moeten wachten. Klagen is geen optie, omdat je zeker geen ruzie wilt met de mensen van de douane. Dat ze niet veel tolereren blijkt wel uit het feit dat bij binnenkomst van dit land bij een reisgenoot de Lonely Planet van China is afgepakt. Er staat namelijk één pagina met de Dalai Lama in, die de toerist er nog uit wilde scheuren. Als de douane opengaat worden we eerst grondig gecontroleerd en mogen in de wachtruimte gaan zitten. Hoewel je het niet echt een wachtruimte kunt noemen, het stof vliegt in het rond vanwege de verbouwing. Er zijn geen winkels of cafés en geen verwarming (in de schaduw is het hier rond het vriespunt). Er staan een paar stoeltjes, daar houdt het eigenlijk bij op.
Nu begint pas het leuke gedeelte. Na ongeveer een uur horen we dat ons vliegtuig drie uur vertraging heeft. En onze reisgroep bestaat ondertussen al uit menselijke ijsblokjes. Er staat een dame van het vliegtuigpersoneel met een thermoskan. We mogen nergens iets te eten halen, ze willen ook niet iets voor ons halen, we mogen alleen een bekertje heet water om te drinken. Maar je wordt toch inventief als je zoveel tijd om handen hebt en het zo koud is. Zo spelen de Roemenen uit mijn Tibet reisgroep en ik voetbal met een papierpropje om ons warm te houden, beginnen er een paar aan de miniflesjes alcohol en gebruikt er een zijn EHBO warmtedeken. Alles om je lichaam een beetje op temperatuur te houden. Uiteindelijk vind iedereen een stoffig plekje achter de ruit waar zon ons warm houdt.
Terwijl wij daar wachten heeft het wel iets weg van schoolkamp. Met z’n allen kaartspelletjes spelen, het weinige eten dat we nog hebben delen en vooral veel kletsen. Grappig hoe zon bizarre situatie iedereen bij elkaar kan brengen. Daar zitten we dan op de grond in een dikke laag stof met de brandende zon op onze hoofden. Dan besef ik pas hoeveel de mensen om je heen jouw ervaringen kunnen beïnvloeden. Naast de vervelende gebeurtenissen in dit land zal ik vooral de mensen uit onze Tibet reisgroep onthouden. Vier uur later mogen we eindelijk het vliegtuig in. Als we opstijgen zeg ik tegen mezelf: Vaarwel Tibet, ik kom je niet meer opzoeken. Maar ik hoop dat ik de mensen uit de Tibet groep zeker nog een keer ga ontmoeten.
Klik hier om het artikel van Denise in de Gorcumse Courant te lezen
door Denise Krol

Als je in het eerste opzicht Nepal bekijkt lijkt het alleen maar vol te zitten met wietrokende backpackers. Dat is ook onze eerste indruk op de dag dat wij in Kathmandu aankomen. We worden overal omsingeld met mensen die al wekenlang geen douche gezien hebben, vrouwen met bossen okselhaar en mannen die volgens mij hun tandenborstel al een hele tijd kwijt zijn. Lekker fris is anders, dat mag gezegd worden.
Maar behalve een hoop stinkende mensen heeft Nepal een hoop te bieden. Ik wist bijvoorbeeld niet dat Nepal zon mooie natuur heeft, zon grote cultuurshock kon zijn of dat een mens zoveel miscommunicatie kan hebben. We besluiten in Kathmandu een trekkingstocht te doen. Als iedereen daarvoor naar Nepal komt willen wij weten wat er zo bijzonder aan is. Dat is nog niet zo makkelijk, vooral door de constante onduidelijkheid. We weten nooit waar we aan toe zijn. Dat loopt soms op zeer gevaarlijke situaties uit.
Tijdens onze tocht komen wij erachter dat het een stuk zwaarder is dan het lijkt. Vooral de astma van Miriam maakt de berg oplopen lastig. Maar als je al zover bent dat de enige optie is verder te lopen of een helikopter te regelen, blijven er weinig keuzes over. Tenzij je verder gaat op een paard. Wij, onwetende toeristen, zien paarden als betrouwbare dieren die zich in een slakkentempo vooruit slepen. Zo waren ze in ieder geval in Mongolië.
Dat zien wij verkeerd. Onze porters (de jongens die ons begeleiden en helpen onze tassen dragen) regelen een paard voor Miriam. Een paar dagen later horen we dat het toch erg gevaarlijk kan zijn op zon beest en we besluiten om af te zeggen.
Maar tijdens het wandelen door de bergen zie je opeens een groep paarden aan komen hobbelen. Miriam en ik zijn in lichte verwarring, want we hadden toch echt afgezegd. Maar dan hoor je dat de eigenaren uren hebben gelopen speciaal voor ons en is de ontsnappingsmogelijkheid verdwenen. Miriam besluit het erop te wagen en klimt op het dier. De jongens dringen mij ook aan om op het paard te gaan, maar ik besluit te wachten om te zorgen dat alles met Miriam goed verloopt.
Alsof het paard mijn gedachten heeft gehoord begint het opeens wild te doen. En niet zomaar wild, het gevaarte begint te steigeren, met Miriam op de rug. De mannen proberen het dier nog onder controle te houden. Opeens gaat alles heel snel. De mannen laten de beugels los. Het beest draait zich om en begint in galop er vandoor te gaan. Ik zie de angstige blik in mijn moeders ogen. Als een klap in mijn gezicht voel ik opeens dat dit helemaal niet goed zit. Terwijl het paard weg galoppeert schreeuw ik hard. Zo snel als ik kan begin ik achter haar te rennen.
Mijn hart klopt in mijn keel en mijn maag draait rondjes als ik de afgrond steeds dichterbij bij het dier zie komen. Miriam hangt half van het paard af terwijl het beest wild schokt. Mijn moeders lichaam zakt steeds verder naar beneden en opeens valt ze met een klap op de grond. Het woeste beest gaat er met een rotvaart vandoor en Miriam blijft achter terwijl ze het in haar ogen uitschreeuwt van de pijn. Ik gooi mezelf naast haar neer en vraag waar ze pijn heeft. Een porter probeert haar omhoog te tillen. Met een felle kreet maak ik hem duidelijk dat hij dit juist niet moet doen. Er schieten een reeks gedachten door mijn hoofd: Ze hebben hier geen goed ziekenhuis. We komen hier onmogelijk weg. Wat moeten we nu doen? Een helikopter? Miriam en ik kijken elkaar aan, grote ogen vol zorgen.
Door een kleine miscommunicatie is Miriam aan de dood ontsnapt. Maar gelukkig besefte we ons dat pas achteraf toen we hoorden dat er regelmatig mensen dood gaan tijdens trektochten in Nepal. En dat er tijdens onze tocht op een andere plek zes mensen te pletter zijn gevallen. Hadden we dat van te voren geweten, had ik misschien ter plekke een flauwte gekregen en had Miriam niet zo heldere beslissing kunnen maken door zichzelf van het paard te laten vallen. En op heel wat moeizame wandeluurtjes met een hersenschudding en gekneusde heup na hebben we geluk gehad, want we kunnen het nog na vertellen. Nepal zullen we in ieder geval niet snel vergeten.
Klik hier om het artikel van Denise in de Gorcumse Courant te lezen
door Denise Krol

‘Choosing China is so cool’, als je in ieder geval het reclamebord van het tijdschrift Cosmopolitan in Beijing wilt geloven. China: het land van dansende mensen op straat bij metro stations en sportende oma’s en opa’s in de parken. Maar onze tijd in China staat vooral in het teken van de National Day. Op het moment dat wij in Beijing zijn bestaat het communistische China 60 jaar. En dat de overheid het nodig vind om het groots te vieren is wel duidelijk. Dagen voor het grote evenement staat elke straathoek al vol met volenteers. Twee tot drie mensen die moeten observeren of er niets geks gebeurd.
Voordat dit land op 1 oktober kan laten zien hoe machtig het daadwerkelijk is gaan Miriam en ik Beijing eerst verkennen. Aangezien wij allebei fan zijn moderne architectuur staat het Olympische Stadion op het lijstje. Het grote plein in het midden, dat wordt omringd met de Birdsnest en de Watercube, is een combinatie van de muziekfonteinen in Las Vegas en fonteinen in Rotterdam waar je op eigen risico doorheen kunt lopen. Je kunt zien dat de Chinezen oprecht lol hebben als zij of anderen snel tussen de stralen water heen rennen. Na een paar waternummers zie we opeens dat iedereen zich verzamelt voor de Watercube. De plek waar de Nederlandse zwemdames een gouden medaille hebben gehaald tijdens de Olympische Spelen en daar houdt mijn sportkennis dan ook op.
Nieuwsgierig als wij zijn gaan we een kijkje nemen. Na wat ondervragingen blijkt dat in het grote zwembad een concert gegeven gaat worden. Als we de illegale kaartjesverkopers moeten geloven treden hier straks velen artiesten op, waaronder de Chinese Michael Jackson. Daar willen wij bij zijn, ook al verstaan we geen Chinees, alleen staan wij kaartjesloos voor de deur. De enige optie is toch een illegaal toegansbewijs bemachtigen. Een smoezelig mannetje wil ons maar al te graag helpen, alleen vinden wij hem net iets te voorzichtig. Als er iemand van de beveiliging langsloopt gaan de kaartjes snel zijn binnenzak in. Bij de ingang vinden we iemand die open en bloot zijn kaarten verkoopt. Een veiligere optie lijkt ons met minder kans op een nep kaartje. Met twee verse kaartjes wagen we het erop.
Bij het geruststellende geluid van het goedkeurde piepje ontspannen we en lopen naar binnen. We zoeken onze stoelen op en zien dat dit veel beter is dan we verwacht hadden. In het midden van het Olympische zwembad is een podium gemaakt. De tribunes aan de linker- en rechtenkant van het bad zitten vol met Chinezen, die allemaal met lichtgevende stokjes heen en weer zwaaien. Aan de kop van het zwembad zitten alle ‘bobo’s’. Dit is wel even wat anders dan een concert in Nederland. Hier gaat het vooral om de pracht en praal van China. De schoonzwemmers, de enorme vlag van China die op het podium word gedragen en het eren van de belangrijke mannetjes die aanwezig zijn is daar het bewijs van.
Naast ons zitten drie wat artistieke Chinese jongeren, met alle drie dezelfde zwarte trendy bril, die duidelijk voor de muziek komen. De rest van de tijd vullen ze door met elkaar te kletsen. Tussen de introducties en speeches van de artiesten is het wel een echt concert. De zangers staan op het podium voor de fans, want ze kijken de ‘bobo’s’ amper aan. En de fans gaan uit hun dak, voor zover Chinezen dat bij zo’n gelegenheid doen. Je hoort mensen ingehouden gillen wanneer hun favoriete artiest opkomt. De blikken in hun ogen laten zien hoe intens ze aan het genieten zijn. Maar de tranen, het flauwvallen en het uitschreeuwen van de longen die bij een concert van de echte Michael Jackson plaatsvinden worden hier onder controle gehouden.
Wij genieten ook, want dit is het echte China van nu. We zitten nu niet tussen groepen toeristen of in de souvenirwinkels. We leven eventjes het moderne Chinese leven. Dat is toch waarvoor ik reis. Ik wil veel zien, maar ik wil vooral het leven in een land ontdekken. Hoe is het om op dit moment in China te leven? Dat vraag ik me dan af als het vliegtuig aankomt. Ik vind Beijing een stad waar ik zelf zou kunnen leven, de enige twee obstakels zijn de taal en de overheid. Het eerste kan ik leren, maar zal niet makkelijk zijn. Maar het tweede punt zal ik nooit kunnen leren om mee om te gaan. Als de overheid wat meer op zijn bevolking zou lijken kan ik er morgen nog gaan wonen.
Klik hier om het artikel van Denise in de Gorcumse Courant te lezen
door Denise Krol

We zijn beland in Mongolië. Onze Trans-Siberië Express brengt ons naar Ulaanbaatar, de koudste hoofdstad van de wereld. De tijd die we in dit land hebben is kort, maar toen wij de route van onze wereldreis maakte leek mij Mongolië een van de meest interessante landen. Ik weet weinig van het land af, maar misschien is dat juist de reden dat het me zo interesseert.
Mongolië, het land waar we volgens onze Trans-Siberië Express toergids s’avonds niet over straat kunnen, omdat het zo gevaarlijk is. Op elke hoek van de straat loert het gevaar. Het is niet helemaal hoe ik Mongolië in gedachten had. Ik stelde me een land voor met super vriendelijke inwoners, die een glimlach van oor tot oor hebben. Toen onze groep echter nog geen kwartier op straat liep voor een korte verkenningstocht door de hoofdstad, werd een reisgenoot al belaagd door een zakkenroller. Ze hadden haar rugtas al open, gelukkig had ze het op tijd door en hebben ze niets kunnen stelen. Zou onze toergids dan toch gelijk hebben?
Een paar dagen later maken we ons klaar voor een nacht Ger-kamp. De manier waarop vroeger alle Mongolen leefde en nu vooral de armere bevolking. Kampen met grote ronde witte tenten die de Mongolen moeten beschermen tegen de winterse kou van min 40 graden celcius. (-40 C). Met de groep maken we nog een stop bij de supermarkt om wat vocht in te slaan. Miriam en ik zoeken appelsap uit, water zijn we onderhand wel zat. Bij de kassa blijkt alleen dat we niet genoeg geld bij ons hebben.
Ons grootste probleem tijdens deze reis tot nu toe is schatten hoeveel geld we moeten opnemen. We pinnen altijd te weinig. Nu dus ook weer.
We komen 50 Tugrik (wij noemen het twogreeks) tekort. 1 Euro is omgerekend 2161.59 Tugrik. Echt niet veel, maar zonder dat geld geen appelsap. En het werd ons toch echt aangeraden om zelf nog wat drinken mee te nemen. Ik word er niet blij van gefermenteerde melk te drinken.
Gefrustreerd stappen wij weer uit de rij en laten een verwarde en geïrriteerde kassajuffrouw achter. Terwijl Miriam en ik op elkaar aan het afreageren zijn stapt er een Mongoolse man op ons af. Hij steekt zijn hand uit met daarin wat briefgeld. Vol verbazing kijken wij hem aan. Zien wij dit goed? Miriam probeert hem duidelijk te maken dat wij dit niet kunnen accepteren, maar de man blijft aandringen. Sprakeloos pakken we uiteindelijk het briefje aan en de man loopt weer weg.
Als ik die avond in de Ger-tent in mijn ijskoude bed lig moet ik constant aan die man denken. Hoe is het mogelijk dat een man uit land met zo’n arme bevolking en met zoveel criminaliteit, zo vriendelijk is voor een stel rijke toeristen? In de winter vriezen de arme mensen dood vanwege de kou en wij krijgen geld? Dat heb ik zelfs in Nederland nog nooit meegemaakt. Blijkbaar zijn de inwoners van Mongolië zo slecht nog niet. Had ik het stiekem toch goed ingeschat.
In elk land heb je goede en slechte mensen. Dat is duidelijk. En Mongolië is daar in ieder geval een goed voorbeeld van. Met deze gedachte probeer ik te gaan slapen. Hoewel deze opgave bijna onmogelijk is met min 10 graden celcius in de Ger-tent en zonder hout voor in het vuur. Bibberend maar met een glimlach op mijn gezicht sluit ik toch maar mijn ogen.
Klik hier om het artikel van Denise in de Gorcumse Courant te lezen
door Denise Krol

De langste treinreis die ik tot nu toe heb gemaakt gaat beginnen. Met de Trans-Siberië Express. Van de 21 dagen onderweg duurt het langste gedeelte dat we in één stuk door in de trein zitten vier dagen, van Moskou naar Irkutsk: 96 uur achter elkaar in een stoffige, vieze, kleine en warme coupé. Nu klinkt vier dagen niet heel lang en dat dacht ik ook van tevoren. Maar sinds ik uit deze kleine gevangenis ben ontsnapt denk ik er anders over.
Dat kwam zo: Miriam en ik waren wel aan wat rust toe na elke dag minimaal zes uur op een dag te lopen. Dat was ik niet meer gewend na kluizenaartje achter mijn computer gespeeld te hebben voor mijn eindscriptie. Wij waren in de veronderstelling dat je in de trein alleen maar op je luie gat hoefde te zitten en te denken aan het mooie uitzicht dat de treinreis bood. Dat was een verkeerde gedachte. Het bleek namelijk dat we opeens werden veranderd in kindertjes van 6 jaar oud, op schoolkamp, die alle vrijheid ontnomen is en die naar allerlei onzinnige regeltjes moeten luisteren.
Het begon allemaal met een raam. De treincoupé die onze reisgroep deelde met nog zo’n 18 mensen had een gemiddelde temperatuur van 30 graden. Zonder airconditioning was het raam openzetten de enige optie om wat verkoeling te krijgen. Al spoedig bleek dat een slap aftreksel van een conductrice het niet waardeerde dat een van onze reisgenoten wat koele lucht wilde in de trein. Blijkbaar was 30 graden de enige temperatuur waarop deze Russische dame het kon uithouden, want anders kreeg ze het koud. Opmerkelijk aangezien Russen in Siberië het soms moeten doen met een graadje of -45 Celsius. Het raam werd dus al snel gesloten. Wij hadden niet veel keus om als een stel transpirerende sardientjes in ons hokje te blijven.
Maar deze toeristen gingen niet bij de pakken neerzitten en dit leidde natuurlijk tot een kinderspel waarbij het raam constant open en dicht werd gedaan. Tenslotte wilde ik op een ochtend het raam even openzetten voor wat frisse lucht, want de combinatie van slapende mensen, zweet en een warm ontbijt leidde tot een redelijk misselijkmakende geur.
Maar na twee minuten kwam de strenge conductrice stampvoetend naar mij toe en begon in het Russisch tegen me te schreeuwen. Mevrouwtje had koude benen. Ik wijs er nogmaals op, dat het 30 graden was in de treincoupé en bovendien had zij ook nog eens een dikke wollen maillot en sloffen aan. In welk universum kon dit mens het koud hebben? Maar blijkbaar had zij op dat moment besloten dat ik de vertegenwoordiging van het kwaad was. Want daarna kreeg ik alleen nog maar vuile blikken, een duwtje als ik heet water ging halen en vooral veel geschreeuw.Niet alleen ik, maar al mijn reisgenoten maakten haar tirannie mee. Het resultaat was een warme, rokerige en naar pis ruikende cabine.
Toen kwam ik erachter dat deze dame alleen losging op toeristen. Russen mochten net zo lang het raam openzetten als ze wilden en wanneer de Rus in kwestie het raam dan weer verliet en jij daar nog stond, kwam zij meteen aanstormen om dit weer dicht te gooien. Niet echt een sympathieke vertegenwoordigster van de Russische samenleving. Ik moet zeggen dat de bevolking hier toeristen niet altijd even vriendelijk aankijkt en behandelt, maar daarentegen kunnen ze ook heel open en hartelijk zijn.
Zo loop je wel eens een Rus tegen het lijf die oprecht in je geïnteresseerd is en het leuk vindt als jij dat ook in hun volk bent. Een Rus die je in zijn huis verwelkomt en tafels vol met eten voor je klaarzet. En dan op het moment dat je denkt dat het echt niet meer mogelijk is, maak je toch een wonder mee. Op de laatste dag van mijn treinreis lacht de conductrice naar mij en wanneer ik vraag of ik nog even naar de wc mag voordat ze hem op slot doet, luistert ze daadwerkelijk naar me en wacht zelfs op me tot ik klaar ben. Het klinkt misschien niet als een wonder, maar na mijn tijd in Rusland besef ik dat dit zeker iets betekent. Russen zijn misschien hard van buiten en velen zullen het echt wel zijn. Maar als ze je eenmaal in hun hart sluiten dan menen ze het ook. En dat kun je niet van elk volk zeggen.
Klik hier om het artikel van Denise in de Gorcumse Courant te lezen
door Denise Krol

Ik schrik wakker en voel een misselijk makend gevoel in mijn buik. Het is half drie in de nacht en dit is de nacht dat ik op wereldreis ga. Niet weten wat mij te wachten staat en juist wel wat ik zal moeten missen creëert een dubbel gevoel in mij. De constante twijfel tussen opgewondenheid, verdrietigheid en zenuwachtigheid brengt mij in verwarring. Hoe moet ik nu op wereldreis gaan als ik mij zo voel? Ik vertel mijzelf dat ik gewoon moet gaan.
En nu zit ik op mijn hotelkamer in Sint Petersburg, de stad van de Hermitage, met een ongelooflijk irritant geluid op de achtergrond van wat een soort ventilator moet voorstellen. Al betwijfel ik of het daadwerkelijk een apparaat is dat frisse lucht opwekt, aangezien het grijs en grauw buiten is. Ik heb mezelf al helemaal aangepast aan de rol van wereldreiziger, die mij zeker bevalt. Mijn eerste dag zit er alweer op. Je zult niet geloven wat ik allemaal heb meegemaakt vandaag, misschien denk je dat ik dit allemaal verzin, maar niets is minder waar. Laat ik maar bij het begin beginnen.
Het is kwart over vijf ’s ochtends en ik sta samen met mijn moeder op Schiphol. Ik ben helemaal niet goed in vroeg opstaan, dus mijn ritme is al de eerste dag in de war. We checken in bij een chagrijnige vrouw achter de balie van British Airways. Deze ochtend vliegen we eerst naar Londen Heathrow en gaan daarna vanaf datzelfde vliegveld door naar Sint Petersburg. Dan blijkt dat we daar bij de balie op Schiphol al meteen weer onvoorbereid staan, want we hadden van te voren moeten regelen dat onze koffers rechtstreeks naar Sint Petersburg gaan. Nu moeten we ze in Londen eerst ophalen en daarna de twee gevaartes weer inchecken en afgeven. Of deze dame dit alsnog heeft kunnen regelen blijft een mysterie, maar wij begrepen in ieder geval dat wij alles moesten ophalen en weer inchecken. Miriam en ik komen aan op Heathrow en vinden daar bij onze bagageband geen één koffer. Een lichte paniek komt bij ons bovendrijven. Dan nog maar een keer op het ontvangststickertje van de koffers kijken. Het valt ons op dat daarop staat dat onze bagage rechtstreeks van Amsterdam naar Sint Petersburg zal gaan. Dat was voor ons totaal nieuw en we waren al door de douane heen, dus terug konden we niet meer. Zonder onze koffers en na voor de zekerheid gevraagd te hebben of deze wel echt rechtstreeks gaan, moesten we dus door de veel strengere Engelse douane. Geen pretje, maar ach, het liep goed af.
Met een veel te gammel vliegtuig vertrekken we naar Sint Petersburg. En als ik zeg gammel, dan bedoel ik dat je het geluid hoort van een motor, die maar niet wil opstarten. We hebben het gelukkig overleefd, anders had ik dit niet kunnen schrijven. En aangekomen in de Russische stad lopen we vol verwachting naar de bagageband. Daar staan niet veel koffers meer op, want het duurde veel te lang bij de douane. We hoeven dus niet lang te zoeken. Maar onze koffers staan er niet op! De allereerste dag van onze wereldreis en we zijn nu al de bagage kwijt. Dat betekent geen onderbroeken, geen tandenborstel, geen opladers voor onze telefoons, laten we het houden op het missen van veel te veel essentiële spullen voor de reis. Daar sta je dan bij de Lost & Found, formuliertjes in te vullen tegenover vliegveldmedewerkers met een gezicht waarvan ik niet eens wist dat het mogelijk was om zo chagrijnig te kijken. Voor mij staan de Russen met het trekken van niet al te vrolijke gezichten nu al met stip op nummer één, ik ben benieuwd wie ze zal kunnen verslaan. Daar loop ik dan samen met mijn moeder Sint Petersburg in met alleen een handbagagetas op mijn rug en even later blijkt dat onze pinpassen het ook niet doen. We hebben dus geen spullen of geld. Laten we hopen dat in ieder geval de koffers morgen weer terecht zijn en we weer normaal verder kunnen reizen. Anders wordt deze reis een nog grotere uitdaging dan het in eerste instantie al is. Maar ach, ik ben wel op wereldreis.
De volgende dag heb ik op mijzelf ingepraat dat we onze koffers die dag nog terug zullen krijgen. Ik vertelde mijzelf gewoon positief te blijven denken. En toen we in een koffietentje een paar toeristen tegenkwamen bleek dat het geluk ons had gevonden. Hun huidige tourgids was namelijk dezelfde als die van onze aankomende reis. Aangezien zij Russisch is en wij alleen maar Engels spreken kwam dat meer dan goed uit. Zij heeft diezelfde dag nog gebeld over de koffers. En die avond om elf uur hadden wij onze spullen weer terug. Zo gek kun je het zelf niet bedenken.
Klik hier om het artikel van Denise in de Gorcumse Courant te lezen
|
|
Follow us!